Luther

De uitvinding van het sceptische individu is de belangrijkste vernieuwing van de Europese en westerse cultuur.

Rüdiger Safranski in een lezing over de Europese identiteit, Amsterdam (2016)

De bekende biograaf van onder meer Goethe, Schopenhauer en Heidegger stelt dat de Europese mens iemand is die vraagtekens durft te plaatsen en twijfel toestaat. Voorbeelden zijn Maarten Luther, die de macht van de kerk ter discussie stelde, wat leidde tot de Reformatie, en Erasmus, die de aanstoot gaf tot een kritische maatschappij. De Griekse term skepsis betekent ‘onderzoek’. Hedendaagse sceptici verbaast het wellicht dat reeds Paulus in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen schrijft: ‘Onderzoek alles.’ Maar hij voegde daar wel iets wezenlijks aan toe: ‘Behoud het goede, en vermijd alle kwaad.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De existentiële situatie waarin iemand verdoemenis vreest, verschilt volkomen van de situatie waarin iemand boven alles bang is voor zinloosheid.

Charles Taylor in Bronnen van het zelf (1989, 2007)

Lang geleden stond de zin van het individuele leven niet ter discussie. De mens was door God geschapen. Iemand als Luther leed onder veel angst voordat hij inzag dat er verlossing door het geloof mogelijk was, maar de zin van zijn eigen leven was ‘onbetwistbaar’. Charles Taylor zet dat tegenover het grote moderne probleem van de betekenis van het bestaan. Volgens hem zie je dat verschil ook terug in de psychopathologieën van die verschillende tijdperken. In de begintijd van de psychoanalyse leden velen aan hysterie en fobieën, maar nu draaien de belangrijkste klachten om ‘egoverlies’, een gevoel van leegte, verlies van het gevoel van eigenwaarde en een gebrek aan doelgerichtheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe meer mensen kunnen lezen, hoe meer analfabeten je krijgt.

Frans Breukelman, geïnterviewd in De Stem, 19 maart 1988

Het blijft een wonderlijk gegeven dat enkele van de grote wijsheidsleraren uit zeer uiteenlopende tradities – Socrates, Jezus van Nazareth, Lao Tse (of Laozi) – zelf niet of nauwelijks een woord op papier hebben gezet. Wilden zij niet dat hun woorden ‘ver-eeuwigd’ werden? Misschien had het te maken met hun doelstelling. Hun spreken was niet, over de hoofden van hun toehoorders heen, gericht op latere generaties en ‘doelgroepen’. Zij wilden met hun woorden het leven van hun concrete gesprekspartners veranderen.
Dominee Frans Breukelman windt zich op over nieuwe Bijbelvertalingen, zoals die van de zogenaamde Groot Nieuws Bijbel met als ondertitel ‘vertaling in omgangstaal’. Zodra er geen onderscheid meer bestaat tussen het spreken van profeten en apostelen en dat van gewone mensen in een willekeurig tijdsgewricht, kunnen zij de woorden niet meer horen. Hij betreurt soms zelfs de uitvinding van de boekdrukkunst: ‘Het ergste wat het levende Woord kon overkomen, was dat het in drukletters werd gevangen.’ Hij breekt dan ook een lans voor de oude Statenvertaling uit 1635, waarin zo letterlijk mogelijk werd vertaald en waar nodig nieuwe taal werd geschapen. Dat is precies het omgekeerde van wat Luther en latere vertalers deden die de taal van het volk van hun tijd volgden in plaats van die te bepalen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media