Cynisme

Het niet nakomen van politieke beloften verzwakte de representatieve regering en wakkert politiek cynisme en passiviteit aan.

Judith Shklar in Over onrecht (1988, vertaling door Timon Meynen, 2024)

Anders dan de meeste filosofen beschouwt Judith Shklar (1928–1992) onrecht niet als de afwezigheid van rechtvaardigheid, maar iets wat op zichzelf moet worden onderzocht. Daartoe luistert zij in de eerste plaats naar de slachtoffers van onrecht. Een van de vormen van onrecht is het breken van beloften, wat zowel in het privéleven als in het openbare leven gebeurt. Zij constateert dat het vaak de sterken zijn die bij de zwakkeren verwachtingen wekken die ze niet nakomen. Dat kan een ouder zijn die het kind een ijsje belooft, maar het uiteindelijk niet geeft. Het kan ook gaan om politici, die ‘doorgaans’ hun beloften breken. Ondanks het citaat is zij dan nog optimistisch: we hoeven volgens haar niet te vrezen dat burgers hun geloof in het gezag van de wetten snel zullen verliezen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alles wat het gezellige samenzijn bevordert (…) is een gewaad dat de deugd voordelig kleedt en voor die laatste ook in serieuzer opzicht aan te bevelen is.

Immanuel Kant in Anthropologie in pragmatischer Hinsicht (1798)

Immanuel Kant (1724–1804) staat nogal bekend om zijn strenge moraal, maar hij beschouwt het purisme van de cynicus en de ascese van de kluizenaar als ‘karikaturale gestalten van de deugd’. Niettemin is voor hem het uitgangspunt dat ‘de beide vormen van het goede, het fysieke en het morele’, het goede leven en de deugdzaamheid, tegengestelde bewegingen zijn, en dat wij beide goed moeten analyseren om te komen tot een synthese: een ‘fatsoenlijke gelukzaligheid’. Deze manier van denken noemt hij waar het de omgang met elkaar betreft de ‘humaniteit’.
Volgens Kant wordt de humaniteit nog het meest gediend met ‘een goede maaltijd in goed (en als het even kan ook afwisselend) gezelschap’. Dat gezelschap moet niet te groot zijn – volgens Chesterfield niet kleiner dan het aantal gratiën (drie) en niet groter dan het aantal muzen (negen) –, zodat er gezamenlijk één cultureel smaakvolle conversatie kan worden gevoerd. Een ‘feestelijk onthaal’ met gelag en buffet acht Kant volstrekt smakeloos.
Kant waarschuwt ook nog dat in je eentje eten (solipsismus convictorii) voor een filosoferende geleerde ongezond is, want iemand die probeert te genieten van een eenzame maaltijd ‘verliest geleidelijk zijn monterheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media