Dieren

Het wezenlijke en het hoofdzakelijke in het dier en in de mens zijn één en hetzelfde.

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij (1840, vertaling 2010)

In zijn boek ‘over de grondslag van de moraal’ formuleert Schopenhauer (1788–1860) een gedachte die pas de laatste jaren opgeld doet. Voorheen sprak het voor filosofen vrijwel vanzelf dat de mens zich in allerlei opzichten onderscheidde van het dier. Daarbij moet wel worden aangetekend dat voor Schopenhauer ‘het wezenlijke en het hoofdzakelijke’ de wil van het individu is, en dat het intellect en de rede slechts secundair zijn. Hij ontkent niet dat mensen in dat laatste superieur zijn, maar dat ‘alleen op grond van het somatische verschil van één orgaan, namelijk de hersenen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zonder een ruimte-innemende substantie is persoonlijkheid of een blijvend bewust ego na de lichamelijke dood ondenkbaar.

Duncan MacDougall in ‘Hypothesis Concerning Soul Substance Together with Experimental Evidence of The Existence of Such Substance’ in American Medicine (april 1907)

Om het bestaan van de menselijke ziel wetenschappelijk te bewijzen voerde de Amerikaanse arts MacDougall een experiment uit door zes tuberculosepatiënten tijdens hun sterfproces te wegen. Een van de patiënten verloor iets meer dan 21 gram, en dat gegeven is in de populaire cultuur opgepikt. Er werd een film gemaakt onder die titel en de Nederlandse band BLØF maakte er een nummer over. MacDougall zelf ging verder met het wegen van schapen en honden. Bij de eerste constateerde hij toename en afname van gewicht, wat zou wijzen op ‘portalen die de ziel transporteren’, maar honden vertoonden geen gewichtsverlies en hadden volgens hem dus geen ziel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Om alleen te leven moet men een dier of een god zijn – zegt Aristoteles. Daar ontbreekt het derde geval: men moet beide zijn – filosoof.

Friedrich Nietzsche in Götzen-dämmerung (1889)

In zijn ‘metafysische dagboek’ Uneigentliche Verzweiflung levert Frank Witzel commentaar op dit aforisme uit een van Nietzsches laatste werken, dat die zelf ‘een grote oorlogsverklaring’ noemde, nodig voor de Umwertung aller Werte. Aristoteles heeft het over iets anders, namelijk dat het dier best tot de staat zou willen behoren, maar dat niet kan, terwijl een god dat niet nodig heeft. De vraag is wat dit betekent voor Nietzsches toevoeging. Misschien dat de filosoof altijd kritisch tegenover de gemeenschap staat en (als het goed is) onafhankelijk van andere mensen nadenkt, maar hen wel nodig heeft voor zijn natje en zijn droogje?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media