Geluk
Positief en volkomen geluk is onmogelijk, alleen een relatief minder pijnlijke toestand mag worden verwacht.
Als de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) zelf zijn plan voor een ‘eudaimonologie’, een geluksleer, had uitgevoerd dan was dit zijn eerste stelling geweest. Nu is dat achteraf gebeurd in de vorm van vijftig leefregels die Arthur Volpi ontleende aan het gepubliceerde en ongepubliceerde werk van de aartspessimist.
Het besef dat een ‘relatief minder pijnlijke toestand’ de hoogst haalbare vorm van geluk is, draagt volgens Schopenhauer zelf ook bij tot meer welzijn. Daar hoort dan nog het tweede besef bij: de middelen om die toestand te bereiken, liggen slechts ‘in heel beperkte mate in onze macht’.
Zijn geluksleer zou dan in twee delen uiteengevallen zijn: regels voor onze houding tegenover onszelf en voor onze houding tegenover anderen. Daaraan voorafgaand moest nog het doel worden geformuleerd: waarin bestaat het mogelijke menselijke geluk? Zijn antwoord, in het kort:
1. opgewektheid, een gelukkig temperament;
2. lichamelijke gezondheid, die haast een noodzakelijke voorwaarde is voor 1., en die bevorderd wordt door ‘dagelijks minstens twee uur kwieke beweging in de frisse lucht’;
3. geestelijke kalmte (‘Bezonnenheid vormt het grootste deel van het geluk’ – Sophocles);
4. (een zeer kleine hoeveelheid) uitwendige goederen, namelijk alleen de volgens Epicurus natuurlijke en noodzakelijke.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Er zijn weinig dingen waar mensen zich zo toegewijd mee bezighouden als met ongelukkig zijn.
In Hoe Proust je leven kan veranderen, een bestseller uit 1997, ontleent de Britse filosoof Alain de Botton (1969) interessante adviezen aan met name Prousts meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Want voor De Botton is dit niet het verhaal van een nostalgisch verlangen naar een verloren jeugd, maar ‘een praktisch, algemeen geldend betoog over hoe je kunt ophouden je leven te verdoen en kunt beginnen het te waarderen’. Een van de dingen die we volgens De Botton kunnen opsteken van Proust is op welke manieren je allemaal ‘verkeerd kunt lijden’.
Een van de besproken ‘patiënten’ is madame Verdurin, een dame van burgerlijke komaf die er haar levensdoel van heeft gemaakt op te klimmen tot de betere kringen. Het lukt haar echter maar niet om op de gastenlijst van de aristocratische families te komen en als reactie veinst ze onverschilligheid en noemt ze iedereen door wie ze niet wordt uitgenodigd ‘een vervelende figuur’. Volgens Proust en De Botton kunnen we onze frustraties leren relativeren en proberen de mechanismen te doorgronden waardoor mensen uit jouw kringen van de belangrijke tafels worden geweerd.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Wat wij hier en nu ‘geluk’ zouden noemen is niet wat God uiteindelijk met ons voor heeft: maar als we zo zijn dat hij ons zonder enige belemmering zou kunnen liefhebben, zullen we in feite gelukkig zijn.
In de filosofie en theologie wordt over het algemeen de vraag waarom God in zijn almacht het lijden in de wereld toestaat de ‘theodicee’ genoemd, naar het boek van Leibniz uit 1710. De Britse schrijver C.S. Lewis (1898-1963) brengt de vraag wat dichter bij huis: ‘waarom moeten wij lijden?’ Waarom staat God toe dat wij pijn hebben, als hij toch van ons houdt? Deze vraag is niet langer onoplosbaar als je ‘houden van’ niet triviaal opvat en niet langer denkt dat de mens het centrum van het universum is. Dat is hij namelijk, volgens Lewis, niet: God is er niet voor de mens, maar de mens is er om zo te leven dat God van hem kan houden. En wie daarin slaagt, zal gelukkig zijn.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
‘Ik wou dat ik trouw had durven blijven aan mijzelf, in plaats van te leven zoals anderen van mij verwachtten.’
De zogenaamde ‘sterfbedtest van Aristoteles’ is gebaseerd op een citaat uit de Retorica van de Griekse filosoof. Daarin stelt hij: ‘Al wat men eerder kan bezitten na zijn dood dan gedurende zijn leven is edel, want dat laatste heeft meer weg van het eigen belang.’ Tegenwoordig wordt dit door Stephen Covey en andere managementgoeroes wel als uitgangspunt genomen voor de reflectie op wat er werkelijk toe doet in je leven: Vraag je af wie je graag wilt dat er op je begrafenis spreekt, en wat die daar en dan over je zegt.
Van de Australische verpleegkundige Bronnie Ware, die lange tijd in de palliatieve zorg werkte, kunnen we leren waar mensen het vaakst spijt van hebben als ze daadwerkelijk op sterven liggen. Het citaat over trouw blijven aan jezelf staat nummer één op die lijst. De andere dingen die mensen achteraf berouwen zijn, in volgorde van belangrijkheid:
2. Ik wou dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Ik wou dat ik mijn gevoelens had durven uiten.
4. Ik wou dat ik contact had gehouden met mijn vrienden.
5. Ik wou dat ik mezelf had toegestaan gelukkiger te zijn.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Terwijl wij redeneren over het leven, is het leven voorbij; en ook al kijken ze er verschillend tegenaan, de dood behandelt de dwaas en de filosoof op dezelfde manier.
Volgens de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) hoeven we weinig van de filosofie te verwachten als het gaat om ons streven naar geluk. Want ‘als we nadenken over de korte duur en de onzekerheid van ons leven, hoe verachtelijk lijkt dan al ons streven naar geluk’. In feite wordt het menselijk leven meer bepaald door ‘fortuin’ of mazzel, dan door de rede. Het is eerder een ‘saai tijdverdrijf dan een serieuze bezigheid’, en wordt eerder bepaald ‘door een specifiek humeur dan door algemene principes’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Het zekerste middel om niet heel ongelukkig te worden is niet te verlangen heel gelukkig te worden.
Met dit citaat begint ‘Leefregel 36’ in het door Franco Volpi samengestelde boekje met verspreide uitspraken van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) over de kunst van het gelukkig worden. Volgens deze pessimistische wijsgeer wordt onze wereld gekenmerkt door pijn en lijden, en geluk is voor hem vooral de (altijd tijdelijke) afwezigheid van ongeluk.
Een van de manieren waarop wij zelf van invloed zijn op ons geluk is het temperen van ons verlangen ernaar. Juist het ‘verwoede streven naar geluk trekt het meeste ongeluk aan’. Het bescheiden afstemmen van onze aanspraken op genot, bezit, aanzien en eer op onze middelen om die te verwerven, is ‘het zekerste middel om ongeluk te ontlopen’. Schopenhauer citeert met instemming de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.):
‘Wie het gulden midden kiest
die houdt zich zeker verre van de vuiligheid van de vermolmde hut,
maar ook, in bescheidenheid, van de jaloers makende pracht en praal van het koninklijk slot’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Opvoeding is een sieraad bij het geluk en een toevlucht in ongeluk.
Aristoteles, geciteerd door Diogenes Laërtius in Leven en leer van beroemde filosofen (begin 3e eeuw n.Chr., vertaling 1989)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Hij is gelukkig van wie de omstandigheden passen bij zijn gemoed; maar hij is voortreffelijker die zijn gemoed aanpast aan iedere omstandigheid.
David Hume in An Enquiry Concerning the Principles of Morals (1751)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Geluk heeft zich bewezen als een van de doelen van het gedrag, en dus als een van de criteria voor moraliteit.
John Stuart Mill in Utilitarianism (1863)
De hoofdgedachte van het utilitarisme is dat je daden moet beoordelen volgens het nuttigheidsprincipe. Dat wat het menselijk geluk bevordert, is nuttig en dat wat er afbreuk aan doet, is dat niet. Volgens een van de grondleggers van deze ethische stroming, Jeremy Bentham, is het onmogelijk, en ook niet nodig, om dit beginsel te bewijzen. Een van de bezwaren tegen een dergelijke redenering is dat uit het feit dat iets het geval is, niet zomaar geconcludeerd mag worden dat het dan ook zo moet zijn (ought). Volgens de Engelse econoom en filosoof John Stuart Mill (1806–1873) is er echter een goede reden om de utilitaristische theorie niettemin aan te hangen. Die goede reden luidt dat aanvaarding van het nuttigheidsprincipe garandeert dat een daarop gebaseerde moraal niet in strijd is met de grondconditie van de menselijke soort. Met andere woorden: omdat de mens van nature streeft naar geluk, is een dergelijke ethiek goed mogelijk. Daarmee is het utilitarisme nog niet bewezen, het is er wel plausibeler op geworden.
Mens-zijn betekent het bij zich dragen van een minderwaardigheidsgevoel en de voortdurende prikkel om dit te boven te komen.
Alfred Adler in Der Sinn des Lebens (1933)
Het is dus uitgesloten dat men gelukkig zou zijn, als men niet wijs en goed is.
Socrates tegen Alcibiades in de dialoog Alcibiades I (134a) van Plato (?)
De aarde is de wieg van de mens, maar de mens kan niet zijn hele leven in de wieg blijven wonen.
Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski, in een brief, 1911
De Pools-Russische wiskundeleraar Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski (1857–1935) wordt gezien als de vader van de ruimtevaarttechnologie. Hij was de eerste die niet alleen bedacht dat raketten op vloeibare brandstof konden vliegen, maar ook hoe dat ongeveer zou moeten. Behalve in de techniek van ruimtevaart was hij ook geïnteresseerd in de ethiek en de filosofie van het leven in de ruimte. Zo meende hij dat wij niet alleen het geluk van alle mensen op aarde, maar van alle wezens in de kosmos moeten nastreven. Zijn ‘kosmische filosofie’ gaat heel ver: geluk is de eeuwige afwezigheid van alle soorten lijden in het hele universum en van alle processen die het goede kunnen vernietigen. In 1926 kwam hij met een ‘Plan voor Verkenning van de Ruimte’, waarvan punt 14 luidt: het bereiken van individuele en sociale volmaaktheid.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Wij beschikken allemaal over een evaluatief vermogen dat ons vertelt hoe gelukkig we zijn en vervolgens ons handelen richt op het verbeteren van ons geluk. Van alle mogelijkheden die we hebben, kiezen we de combinatie van activiteiten waar we ons het best bij voelen.
Richard lord Layard of Highgate (Richard Layard) in ‘Happiness: has social science a clue?’ (Uit: Lionel Robbins Memorial Lectures 2002/3, maart 2003, London School of Economics)
Hoogleraar arbeidseconomie Richard Layard (1934) was onder andere topadviseur van de regering-Blair en had belangrijke invloed op het besluit om topinkomens in het bedrijfsleven zwaarder te belasten. Tony Blair was daar zelf in eerste instantie huiverig voor, omdat hij dacht dat het ondermijnend zou zijn voor werklust en initiatief. In 2004 publiceerde Layard Happiness (vertaald als Waarom zijn we niet gelukkig?). Hij vindt het onbegrijpelijk dat politici hun beleid niet baseren op modern onderzoek naar wat mensen gelukkig maakt. Volgens hem kunnen we daarvan drie dingen leren. Het blijkt dat mensen geluk niet alleen (deels) ontlenen aan de hoogte van hun inkomen, maar ook aan hoeveel ze verdienen ten opzichte van anderen. Dat betekent dat ons economisch systeem aanzet tot een ratrace. Daarnaast geldt dat mensen steeds gewend raken aan de hoogte van hun inkomen, en daarom pas gelukkiger worden als dat steeds stijgt. En ten slotte is het niet zo dat individuele voorkeuren constant zijn: alles wat we bezitten wordt relatief steeds minder waard. Belastingen hebben daarom nog een ander doel, naast het betalen voor openbare voorzieningen en het herverdelen van inkomen. Belastingen zorgen ervoor dat mensen niet méér werken dan goed voor hen is.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Praat nooit met een filosoof over geluk.
Jeanette Winterson in Passie (1987)