God
Deus est mortali juvare mortalem – dat de ene sterveling de andere helpt, dat is God.
Plinius de Oudere in Naturalis Historia
De tijd van het verleden is het geheugen, de tijd van het heden is de contemplatie, de tijd van de toekomst is de verwachting.
Augustinus in Belijdenissen
Is het terecht dat je zo kwaad bent?
God tegen Jona (4:4)
Het verhaal van Jona vormt de inhoud van een van de kleinste Bijbelboeken. Iedereen weet nog dat Jona een tijdje in een grote vis doorbracht (buiten de Bijbel wordt er vaak een walvis van gemaakt), maar wie weet nog waarom of waartoe? Het begint ermee dat de profeet Jona er door de Heer op uit wordt gestuurd om de bevolking van Nineve te waarschuwen ‘want het kwaad dat ze daar doen is hemelschreiend’. De moralist Jona is echter bang dat God de bevolking genadig zal zijn als zij hun leven veranderen, en vlucht daarom per boot naar Tarsis. Er breekt een vreselijke storm uit en Jona beseft dat hij zich moet opofferen: de zeelieden ‘jonassen’ hem het water in. Daar wordt hij opgeslokt door de vis, maar na een smeekgebed na drie dagen ook weer uitgespuwd. Hij waarschuwt de inwoners van Nineve, een stad ‘ter grootte van drie dagreizen’ en met 120.000 inwoners. Iedereen trekt er het boetekleed aan en God ziet af van zijn straf. Dat maakt Jona woedend, maar in plaats van hem daarvoor te straffen, doet God niets anders dan hem uit te nodigen tot reflectie op zijn emotie: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent?’ Daarmee heeft Jona echter zijn les nog niet geleerd. God schenkt hem vervolgens een boom om hem schaduw te geven, maar laat die ook weer verdorren, opnieuw tot woede van Jona: ‘Ik ben verschrikkelijk kwaad, en terecht!’ ‘Toen zei de Heer: “Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen, (…) zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve …”’ Daarmee eindigt het boek, de vraag blijft retorisch.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Weet dus, dat je een god bent …
Cicero in De re publica VI (9–29; vertaling van H.W.A. van Rooijen-Dijkman in Hermeneus, februari 1987)
Een filosoof die wegkwijnt kan in zijn poging een zuiver, onthecht verstand te worden zijn eigen streven naar het goede verhinderen.
Martha Nussbaum in De breekbaarheid van het goede (1986)
The world is my country, to promote science is my religion. [De wereld is mijn vaderland, het bevorderen van de wetenschap is mijn religie]
Devies van Christiaan Huygens volgens K.O. Meinsma in Spinoza en zijn kring. Historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten (1896)
Wisdom and knowledge shall be the stability of thy times [wijsheid en kennis zullen de vaste grond van uw tijd zijn]
Tekst op het portaal boven de ingang tot het RCA building, New York, gemaakt door Lee Lawrie, 1934
Ik ga je een groot geheim verklappen, mon cher: wacht niet op het Laatste Oordeel. Dat vindt elke dag plaats.
Albert Camus in De val (1956)
Het geloof van de Engelsen is dat er geen God is en dat het verstandig is om van tijd tot tijd tot hem te bidden.
Alisdair MacIntyre in God and the theologians (1963)
Als iemand verslaafd is aan experimentele filosofie, is hij daarmee eerder geholpen om een goed christen te zijn dan dat het hem daarvan afkeert.
Robert Boyle in The Christian Virtuoso (1690)
De WARE NATUURKUNDE verheft sig soo verre, dat sy selfs een soorte van GODTGELEERTHEID word.
Bernart Nieuwentijt, Gronden van Zekerheid (Amsterdam, 1720, p. 229)
Als mensen overkomt waar zij naar streven is dat nog niet het betere.
Herakleitos over de natuur/De ziel, het gemoed, de verandering in ons (nl.wikibooks.org, maart 2012)
Lang zijn deze woorden van de presocratische Griek Herakleitos van Efeze (540-480 v.C.), de ‘duistere’ of de ‘wenende’ filosoof, voor velen vanzelfsprekend geweest, omdat de moraal niet een kwestie was van individuele voorkeur, maar een objectieve status had die gegarandeerd werd door God en Natuur. Voor veel mensen is het steeds minder goed te begrijpen hoe het zou kunnen dat het volgen van hun ‘passie’ niet de enige juiste weg zou zijn. Maar volgens Herakleitos is onze ziel, zoals alles in de wereld, een mengsel van (goddelijk) vuur en (onedel) water. Het is daarom zaak onze ziel ‘droog’ te houden. Wat ons onmiddellijke verlangen wil, kan ten koste gaan van onze ziel.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De realisering van het hoogste goed in de wereld is het noodzakelijke object van een door de morele wet bepaalbare wil.
Immanuel Kant in Kritiek van de praktische rede (1788, 2006), A219-220.
Veel Kant-adepten die hem alleen als verlichtingsfilosoof willen beschouwen, vergeten het graag, maar in zijn filosofie is wel degelijk plek voor de drie grote metafysische thema’s van het bestaan van God, de vrijheid van de wil en de onsterfelijkheid van de ziel. De onsterfelijkheid van de ziel is een ‘postulaat’, een noodzakelijke vooronderstelling, van Kants ethiek. Want om het hoogste goed te kunnen realiseren is het nodig dat de menselijke ‘neigingen’ volledig overeenstemmen met de morele wet. Nu is echter alleen een heilige in staat om zijn wil volledig te laten samenvallen met de plichten van de zedenwet, ‘een volmaaktheid waartoe geen enkel redelijk wezen uit de zintuiglijke wereld op geen enkel ogenblik van zijn bestaan in staat is’. Toch is die volmaaktheid ‘volgens de principes van de zuivere praktische rede’ noodzakelijk, en buiten de sfeer van de heiligen kan die alleen worden gevonden ‘in een tot in het oneindige doorgaande progressie naar die volledige overeenstemming’ van wil en plicht. We moeten er dus wel van uitgaan dat de ziel onsterfelijk is, zodat hij tijd genoeg heeft om die weg naar zedelijke volmaaktheid af te leggen.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De Toekomst is het tijdelijke bij uitstek.
C.S. Lewis in Brieven uit de hel (1942, 1948, p. 81)
The Screwtape Letters uit 1942 is een van de bekendste boeken voor volwassenen van de Ierse schrijver C.S. Lewis (1898-1963). Het bevat 31 brieven van een van de medewerkers van de duivel (‘Onze Vader Beneden’), die een nieuwe medewerker van het diabolische bedrijf de fijne kneepjes van het bederven van zielen uitlegt. Zo legt deze ‘Schroefstrik’ (zoals hij in de Nederlandse vertaling heet) uit dat mensen weliswaar leven in de tijdelijkheid, maar dat de ‘Vijand’ (= God) de mens bestemd heeft voor de eeuwigheid. Daarom wil de Vijand dat mensen zich daarop richten, of op het heden, ‘het punt waar tijd en eeuwigheid elkaar raken’. Voor de medewerkers van de duivel is het daarom zaak mensen te verleiden in het verleden te leven, of beter nog: in de toekomst, want ‘van alle dingen lijkt de toekomst het minst op de eeuwigheid’. Alle driften van de mens gaan toch al die richting op, zodat denken aan de toekomst vele ondeugden – zoals angst, gierigheid, wellust en eerzucht – aanwakkert. Voor de mens is de toekomst onbekend en dus verliest hij zich in iets wat niet bestaat en daarmee door en door onbestendig is. Schroefstrik claimt dat de duivel ook achter alle ideologieën zit die de verwachtingen van mensen richten op de Toekomst.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Ut mens construatur, non ut Deus instruatur. [niet om God te instrueren, maar om onze geest te construeren]
Augustinus in Epistola CXL, caput XXIX, 69
Aan het begin van de vijfde eeuw formuleert kerkvader Aurelius Augustinus (354-430) in een brief een belangrijk principe van het gebed: bidden is niet bedoeld om God opdrachten geven, maar om iets van jezelf te maken. Kierkegaard zou later zeggen dat het bidden God niet verandert, maar degene die bidt. Moderne atheïsten en agnosten zullen hier wellicht van opkijken, want zij menen te weten dat christenen met name bidden met in hun hoofd een verlanglijstje. Natuurlijk heeft bidden meerdere functies, zoals danken, loven, communiceren, mediteren, concentreren. Maar het Hebreeuwse woord voor bidden betekent ook iets wederkerigs: jezelf beoordelen, reflecteren op jezelf. En al die functies staan ten dienste van de opdracht van de christen om de ene God te dienen en hun naast te lief te hebben als zichzelf. Voor beide hebben de meeste mensen wel wat constructiewerkzaamheden nodig. Of je wordt scepticus en je bent jezelf genoeg.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Anbidden is geleuvn met de moond vool taan.
Anne van der Meiden tijdens Twentse Deenst, 3 januari 2010 in de Stifstkerk te Weerselo
Zo eindigde de preek van Anne van der Meiden (1929) tijdens de dienst waarin werd herdacht dat hij vijftig jaar eerder voor het eerst was voorgegaan in het Twents. Maar hij gebruikt de Nederlandse vertaling ervan ook als slotzin van een betoog waarin hij zich keert tegen het voorstel om de synode van de protestants-christelijke kerk te laten debatteren over de vraag of God al dan niet bestaat. ‘Alsof je daarover vergadert!’ Van der Meiden hoopte dat ‘ook als God niet bestaat’ Hij die discussie zou verhinderen.
Overigens meent de theoloog en voormalig hoogleraar public relations wel dat God bestaat, maar ‘op een of andere manier, in teksten die mensen schreven, in gebeden, in schilderijen en muziek, maar het hoe blijft schimmig. Zoals een oud-collega in de communicatiewetenschap het eens formuleerde: sommige soorten van communicatie (ook binnen het geloof) over sommige soorten onderwerpen hebben bij sommige mensen op sommige soorten ogenblikken sommige effecten – maar welke weten we niet. En zo laten we het maar. Anders hebben we niets meer om te aanbidden. En aanbidden is geloven met de mond vol tanden.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Ik laat me niet van mijn werk houden, zelfs niet door God.
Desgevraagd is Harry Mulisch snel klaar met zijn antwoord wat het vierde gebod (‘Gedenk de sabbatdag …’) voor hem betekent. Hij noemt het een groot geluk dat hij door zijn ouders niet christelijk, maar ook niet atheïstisch is opgevoed. Hij verbaasde zich als kind over de geschiedenisboekjes, waarin allerlei gebeurtenissen stonden die zoveel jaar vóór of na Christus waren gebeurd. De Batavieren kwamen honderd jaar voor Christus in ons land, de Romeinen vijftig jaar voor Christus. Hij vroeg zich af wat er dan in het jaar nul gebeurd was: ‘Daar kon maar één antwoord op mogelijk zijn: Christus komt in ons land!’
Mulisch heeft veel begrip voor het ‘ietsisme’ van tegenwoordig. Volgens hem moet er wel iets zijn, maar hij gelooft niet in de waarheid van wat in de Bijbel staat: ‘Dat is een woestijngodsdienst, een godsdienst voor bedoeïenen.’ Wat het gebod dat je niet mag echtbreken betreft houdt Mulisch er een expliciete dubbele standaard op na. Hij weerspreekt de mythe dat hij ooit een feest heeft gehouden om zijn tweeduizendste verovering te vieren. Zijn moeder meldde hem dat dat in een Amerikaanse krant had gestaan. Het bericht ergerde hem: men moest niet denken dat hij zoiets had zitten turven. ‘Het hadden er net zo goed drieduizend kunnen zijn, of vijftienhonderd.’ Hij zou het echter nooit accepteren als zijn vriendin met een ander naar bed ging.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Een lichamelijkheid die de liefde waardig, dat wil zeggen die prachtig en onsterfelijk is, groeit niet vanzelf uit de aarde en valt niet kant en klaar uit de hemel, maar wordt verkregen door een geestelijk-fysieke en godmenselijke heldendaad.
Vladimir Solovjov (1853-1900) was van invloed op de groten van de Russische literatuur, zoals Tolstoj, Achmatova en Dostojevski, maar is zelf in Nederland nauwelijks bekend. Behalve als filosoof en mysticus wordt hij beschouwd als een belangrijk dichter. In zijn filosofie en in zijn leven is de liefde het allerbelangrijkste. Hij beschouwt de liefde als een ‘buitengewoon gecompliceerde, duistere en verwarde zaak, die om volledige bewuste ontleding en onderzoek vraagt’. Uiteindelijk is volgens hem de liefdevolle vereniging van man en vrouw het eigenlijke beeld Gods naar waar wij volgens het Bijbelboek Genesis geschapen zijn. Het is dus niet zo dat God op deze of gene sterveling lijkt, maar ‘op de ware eenheid van de twee fundamentele aspecten van het menselijk wezen, het mannelijke en het vrouwelijke aspect’. Overigens is hij een kind van zijn tijd en beschouwt hij de gedachte dat de man het actieve principe en de vrouw het passieve principe vertegenwoordigt als ‘een waarheid als een koe’. Maar hij is bijzonder in het feit dat hij die twee principes als ‘beiden even onvolmaakt’ ziet. Het erkennen dat de ander de onvoorwaardelijke betekenis heeft om samen met mij op te gaan in iets groters, beschouwt hij als een heldendaad.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De mens is een kletsmeier, en dat is hij met behulp van de taal.
Omdat veel ‘buitengewone mensen’ ooit een uitspraak hebben gedaan die begon met ‘de mens is…’, doet Kierkegaard ook een poging. Het is door de taal dat ieder mens deel heeft aan ‘het hoogste’. Veel mensen menen dat dat het belangrijkste verschil is tussen mens en dier. Maar Kierkegaard ziet mensen vooral ‘participeren aan het hoogste’ door ‘met behulp van taal te leuteren over die participatie’. Dat is volgens hem net zoiets als deel te nemen aan een koninklijk banket vanaf de galerij. Als hij een heiden zou zijn, zou hij denken dat ‘een ironische god’ de mens de taal had gegeven om zich te vermaken met dit zelfbedrog. Maar hij is christen en heeft daarom medelijden met God, die in zijn liefde ons de taal heeft geschonken ‘om het zo voor ieder mens mogelijk te maken het hoogste werkelijk te grijpen’: ‘Ach, met hoeveel pijn moet God het resultaat bezien!’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Wie niet weet wat liefde is, zal door analyse nooit iets anders dan begeerte in liefde vinden.
C.S. Lewis, Met reden geloven. C.S. Lewis over denken en geloof (1983; oorspronkelijk in Transposition and other adresses, 1949)
Hoe komt het dat een kreupele ons niet boos maakt en een kreupele geest ons wel boos maakt?
‘Omdat een kreupele erkent, dat wij goed gaan, maar een kreupele geest zegt dat wij hinken.’ Deze idee van Pascal staat in een hoofdstuk dat gaat over ‘’s menschens grootheid en ellende’. Hij verwijst in dit verband ook naar de Griekse stoïcijn Epictetus die zich afvroeg waarom wij niet kwaad worden als iemand zegt dat wij hoofdpijn hebben, maar wel als iemand zegt dat we slecht redeneren of een verkeerde keuze maken. Volgens Pascal komt die kwaadheid in beide gevallen voort uit het feit dat wij wél zeker weten dat we niet kreupel zijn en geen hoofdpijn hebben, maar dat we er níét zo zeker van zijn of wij wel ‘het ware’ hebben gedacht of gekozen. We worden boos als iemand dit aan het licht brengt, en het brengt ons aan het twijfelen. Want bij zoveel verschillende visies moeten we ‘onze wijsheid verkiezen boven die van zoveel anderen, en dat is vermetel en gaat moeilijk’. Pascal raadt de mens daarom aan zich zoveel mogelijk stil te houden en alleen bij God te zijn, want van Hem weten wij dat hij de waarheid is.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Samengevat is dus het voorwerp van de Minne: het eeuwig bezit van het goede.
Het Symposium van Plato (428–347 v.Chr.) is een van zijn bekendste dialogen, en zeker een van de bekendste filosofische teksten over de liefde. Letterlijk betekent symposium ‘samen drinken’ (en dat gebeurt dan ook).
Het is opmerkelijk hoe Plato zijn theorie van de liefde heeft ondergebracht in zijn werk. Om te beginnen wordt het verslag van het ‘drinkgelag’ door ene Apollodorus verteld aan zijn vrienden. Deze Apollodorus heeft het weer van Aristodemus gehoord. En net als in het overige werk van Plato is Socrates binnen de dialoog de eigenlijke denker, maar deze ontleent zijn ideeën over dit onderwerp zelf weer aan een vrouw: Diotima.
Deze (verder onbekende) priesteres uit Mantinea leert de ‘onwetende’ Socrates dat Eros niet mooi of goed kan zijn, want hij begeert immers de schoonheid. Maar hij is natuurlijk ook niet lelijk en slecht. Eros is een ‘tussending’. Menselijk gezien is hij het verlangen naar het goede en schoonheid, goddelijk gezien is minnen ‘het voortbrengen in schoonheid’. Als de mens ‘voortbrengt in schoonheid’, met name door een jongeling op te leiden tot een rechtvaardig staatsman, dan heeft hij deel aan het goddelijke en is daarmee een klein beetje onsterfelijk geworden.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media