Medelijden
Men mag het altaar niet uit de tempel en het medelijden niet uit de mensenharten verwijderen.
Phokion, geciteerd door Stobaeus in Florilegium (en door Schopenhauer in Dat ben jij)
Voor Arthur Schopenhauer (1788–1860) is de grondslag van de moraal het medelijden, en hij ziet dat vele culturen dat met hem eens zijn. Zo is het medelijden de eerste van de vijf kardinale deugden bij de Chinezen en prijzen de hindoes overleden vorsten in de eerste plaats om hun medelijden met mens en dier. Ook in de stad waar het fundament van de westerse wijsbegeerte werd gelegd, Athene, had men op het forum een altaar voor het medelijden. Het citaat wordt toegeschreven aan Phokion (402–318 v.C.), een Atheens politicus en veldheer, die onder andere was onderwezen door Plato en Xenokrates.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Je leven heeft waarde zolang je waarde toekent aan het leven van anderen, door middel van liefde, vriendschap, verontwaardiging, mededogen.
Simone de Beauvoir, geciteerd door Skye Cleary in Wat zou Simone de Beauvoir doen? (2022)
Drie van de vier bronnen van waarde die De Beauvoir noemt, staan meestal wel op lijstjes van wat mensen belangrijk vinden in het leven, zegt Cleary, maar verontwaardiging vrijwel nooit. Zoals veel politiek actieve existentialisten vond De Beauvoir dat je verontwaardigd moest zijn over onrechtvaardige situaties in de wereld en daartegen in opstand moest komen. Het is echter de vraag of zij met haar waardering voor rebellie het sturen van woedende tweets bedoeld zou hebben.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Moraal preken is makkelijk, moraal funderen moeilijk.
Arthur Schopenhauer in Über den Willen in der Natur (1836)
De dan onbekende filosoof Schopenhauer doet mee aan een prijsvraag over de kwestie wat de bron en de grondslag van de moraal zijn. Hoewel hij de enige kandidaat is, wordt hij niet bekroond, onder meer omdat hij te veel vooraanstaande filosofen beledigt. Dat het Schopenhauer niet aan eigendunk ontbrak, blijkt uit het feit dat hij als motto voor Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal dit citaat uit eigen werk kiest. Ja, moraal funderen is moeilijk, maar hij vindt die grondslag in het medelijden met andere levende wezens, omdat wij onszelf daarin herkennen: ‘dat ben jij.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
… de tijd, de bondgenoot van de waarheid …
Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1841)
Neminem laede, imo omnes, quantum potes juva. [Doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.]
Arthur Schopenhauer in Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal (1840)
Alle mensen hebben een hart dat het lijden van anderen niet kan verdragen.
Mencius in De Mencius
Als een cartesiaan zich in de klauwen van een tijger zou bevinden, zou hij duidelijk beseffen welk een scherp onderscheid dat beest tussen zijn ik en niet-ik maakt.
Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1840, 2010, p. 148)
Cynici die zich begerig op het werk van Schopenhauer storten om hun amoraliteit te legitimeren, komen bedrogen uit als zij ontdekken dat Schopenhauer nota bene het medelijden als ‘enige echte morele drijfveer’ opvoert. Een van de vele argumenten die hij daarvoor heeft, is dat het medelijden ook ‘de dieren in bescherming neemt’. De wreedheid en barbarij jegens dieren in het Westen wordt filosofisch gefundeerd door Descartes ‘als een noodzakelijke consequentie van zijn dwalingen’. Dat leidt tot onzinnige gedachten als zouden dieren geen bewustzijn van zichzelf hebben. ‘Om zulke smakeloze beweringen te logenstraffen, hoeft men alleen maar te wijzen op het ingewortelde egoïsme van elk willekeurig dier.’ Zo kan een cartesiaan zich dus van de onjuistheid van zijn ideeën laten overtuigen door een tijger in het wild op te zoeken …
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Het is een teken van ware liefde wanneer men er aan denkt hoe de ander lijdt. Want ook hij lijdt, ook hij is een arme drommel.
In het jaar 1946 wordt Ludwig Wittgenstein verliefd op de student medicijnen Ben Richards, die bijna veertig jaar jonger is dan de filosoof. Naar eigen zeggen zorgt zijn liefde voor Ben ervoor dat al zijn ‘kleinzielige zorgen’ in verband met baan en werk op de achtergrond raken. Hoewel hij diverse eerdere relaties met jongemannen heeft gehad, meent zijn biograaf Ray Monk dat de relatie met Richards voor het eerst een breuk lijkt te betekenen met Wittgensteins solipsisme. Over dit geloof, dat de hele wereld alleen in de eigen geest bestaat, had hij in de Tractatus logico-philopophicus (1921) nog het volgende gezegd: ‘Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.’ Voor Wittgenstein zelf is de liefde van Ben een ‘groot, zeldzaam geschenk’, al realiseert hij zich ook dat het mede-lijden met een ander zijn leven er niet gemakkelijker op maakt.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media