Rechtvaardigheid
Het niet nakomen van politieke beloften verzwakte de representatieve regering en wakkert politiek cynisme en passiviteit aan.
Judith Shklar in Over onrecht (1988, vertaling door Timon Meynen, 2024)
Anders dan de meeste filosofen beschouwt Judith Shklar (1928–1992) onrecht niet als de afwezigheid van rechtvaardigheid, maar iets wat op zichzelf moet worden onderzocht. Daartoe luistert zij in de eerste plaats naar de slachtoffers van onrecht. Een van de vormen van onrecht is het breken van beloften, wat zowel in het privéleven als in het openbare leven gebeurt. Zij constateert dat het vaak de sterken zijn die bij de zwakkeren verwachtingen wekken die ze niet nakomen. Dat kan een ouder zijn die het kind een ijsje belooft, maar het uiteindelijk niet geeft. Het kan ook gaan om politici, die ‘doorgaans’ hun beloften breken. Ondanks het citaat is zij dan nog optimistisch: we hoeven volgens haar niet te vrezen dat burgers hun geloof in het gezag van de wetten snel zullen verliezen …
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Homo economicus is een pseudowetenschappelijke onwaarheid die de planeet verwoest.
Paul Atkins, David Sloan Wilson & Steven Hayes in Prosocial – Een praktisch programma voor het versterken van productieve en sociaal rechtvaardige samenwerking in groepen (2019, 2022)
De auteurs pleiten voor het stimuleren van prosociaal gedrag, gedrag dat bedoeld is om anderen te helpen. Daarbij wijzen ze op de desastreuze werking van mensbeelden die niet gebaseerd zijn op de biologische en contextuele determinanten van menselijk gedrag. De gedachte dat de mens gestuurd wordt door eigenbelang is wetenschappelijk onjuist én leidt tot onrechtvaardigheid, verlies van betekenis, en eenzaamheid. Dit mensbeeld leidt aan de ene kant tot voor planeet en mens rampzalige marktwerking en aan de andere kant tot strenge regels en wetgeving om dat eigenbelang binnen de perken te houden. ‘Prosocial’ biedt een middenweg, gebaseerd op economische, evolutietheoretische en gedragswetenschappelijke inzichten.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Kijk uit dat je niet verkeizert en verpurpert.
Marcus Aurelius in Tot mijzelf (6,30)
In 161 n. Chr. wordt Marcus Aurelius keizer van het Romeinse Rijk, en tot zijn dood in het jaar 180 schrijft hij tijdens zijn vele veldtochten een boek met ‘dingen die je tegen jezelf zegt’ (Ta heis heauton). In het citaat (vertaling Anton van Hooff) houdt de keizer-filosoof zichzelf voor dat je als machthebber maar al te gauw vergeet dat je eenvoudig, goed, zuiver, waardig, ongekunsteld, rechtvaardig, godvrezend, welwillend en liefdevol moet blijven. Hij wil vastbesloten zijn in het vervullen van zijn taak en de goden eerbiedigen en de mensen beschermen. Want het leven is kort.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Hij die niet zelf inziet en ook niet andermans woord ter harte neemt, dat is een waardeloos man.
Hesiodus
In onderzoek naar het goede waar de politiek zich op richt, namelijk wat edel en rechtvaardig is (jawel!), moet je volgens Aristoteles (384–322 v.Chr.) in zijn Ethica Nicomachea onder meer uitgaan van wat ons bekend is. Daartoe moet je eigenlijk al door je opvoeding bekend zijn met edele gewoonten. Wie echter niet beschikt over deze principes en ze ook niet kan verwerven, moet volgens hem maar luisteren naar Hesiodus. Die zegt dat ‘veruit de beste hij is die zelf alles inziet’, en iemand die naar goede raad wil horen deugt ook nog wel, maar wie het eerste niet kan en het tweede niet doet, is een ‘waardeloos’ man.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Empathie haalt de horizon erg dichtbij, verzet zich tegen abstractie en is volstrekt niet gericht op kwantitatieve aspecten’
Paul Bloom in ‘The baby in the well: the case against empathy’, in The New Yorker, 20 mei 2013 (geciteerd in Kampers & Ruiter, Filosoferen aan de keukentafel, 2015)
Uit onderzoek blijkt dat ook veel diersoorten in staat zijn tot empathie, maar het wordt vaak gezien als een typisch menselijk vermogen dat een belangrijke rol speelt bij ons geweten of moreel bewustzijn. Men denkt dat dit vermogen samenhangt met zogenaamde spiegelneuronen: hersencellen die ‘vuren’ als we een ander mens een handeling zien uitvoeren of iets zien overkomen. Het blijkt ook dat empathie alleen optreedt wanneer we ook een concreet beeld van een ander hebben. Psychologen vroegen aan de ene groep mensen hoeveel ze wilden bijdragen aan een medicijn dat het leven van één kind zou redden en een andere groep hoeveel om acht kinderen te redden. Dat was ongeveer evenveel. Als je mensen in de eerste groep echter een naam en leeftijd van het kind gaf, werd er voor dat ene kind veel meer geld gegeven dan voor acht anonieme. Paul Bloom vindt dat empathie daarom een paar minder gelukkige eigenschappen heeft. Om tot een rechtvaardig oordeel te komen over een dergelijke situatie moet je je horizon verbreden, abstraheren van een concreet geval en rekening houden met kwantitatieve aspecten.
Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media
Erkent ge ook een absolute idee op zichzelf van, laten we zeggen, het Rechtvaardige, het Schone, het Goede en al zulke dingen meer?
Parmenides tegen Socrates in de dialoog van Plato Parmenides
Een van de bekendste ideeën van Plato is zijn zogenaamde Ideeënleer. Die naam is overigens misleidend, want het gaat niet om iets wat in ons hoofd zit. Het gaat om het begrip idea, dat ‘gestalte’ of ‘aanblik’ betekent. De algemene gedachte is dat de kenmerken van de dingen die wij waarnemen als het ware zwakke afspiegelingen zijn van eeuwig bestaande Ideeën, of liever: Vormen. Zo is een paard dat je in de wei ziet staan een onvolmaakte manifestatie van het Paard of de Paardheid.
In de dialoog waarin onder meer Parmenides met Socrates in gesprek is over deze Ideeënleer brengt hij Socrates toch even in verlegenheid door te vragen of er naast het Goede en het Schone ook absolute ideeën zijn van ‘haar, slijk, vuil of iets anders zonder enige waarde of belang’. Maar uiteindelijk heeft Socrates tot de conclusie moeten komen, dat die dingen alleen maar dat zijn wat we zien. ‘Menen dat ook daarvan een Idee bestaat, zou, vrees ik, al te buitenissig zijn.’ Toch heeft Socrates weinig andere argumenten om dit onderscheid te maken dan dat hij bang is ‘in een afgrond van haarkloverijen’ terecht te komen en daarin de dood te vinden.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De deugden horen van nature bij het aangename leven en het aangename leven is met de deugden onlosmakelijk verbonden.
Epicurus in ‘Brief aan Menoikeus’ in Over de natuur en het geluk (2011)
Weliswaar wordt de Griekse filosoof Epicurus (341–270 v.C.) beschouwd als de grondlegger van de leer dat het genot het hoogste goed is (hedonisme), maar bij hem was dat genot vooral de afwezigheid van angst, onlust en pijn. Bovendien vindt hij ook niet dat we moeten kiezen voor óf een aangenaam óf een deugdzaam leven.
We komen niet tot een gelukkig leven door ‘drinkgelagen en onafgebroken feesten’, maar door ‘nuchter denken’. Op die manier kunnen we niet alleen nadenken over wat we hebben gedaan of nog gaan doen, maar ook de ‘ongegronde meningen’ uitbannen die onze geest onrustig maken. De basis hiervoor is ons praktisch verstand en daar vloeien de andere deugden van nature uit voort. Je kunt niet aangenaam leven zonder verstandig, goed en rechtvaardig te zijn, maar je kunt dat ook alleen maar zijn als je aangenaam leeft.
Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media
De koning is 729 keer gelukkiger dan de dictator.
In De staat (Politeia) stelt Plato (ca. 427-347 v.Chr.) dat de ideale leider van zijn ideale staat de filosoof-koning is. Als filosoof weet hij wat rechtvaardigheid is, en het was de onrechtvaardigheid van de Atheense samenleving die had geleid tot de terdoodveroordeling van zijn leermeester Socrates. De filosoof-koning moet natuurlijk een gedegen opleiding krijgen, maar dan is hij in staat om de alleenheerschappij te voeren over de wachters (die garant staan voor de veiligheid) en het gewone volk.
Elders in De staat komt Plato in een ingewikkelde berekening tot de conclusie dat de dictator 729 keer zo ongelukkig is als de koning-filosoof. De dictator kent maar twee (‘onwettige’) genoegens, seksuele lust en macht, terwijl het slechts legitiem is om te verlangen naar wijsheid. Doordat de rechtvaardigheid de drie delen van de ziel (intellect, wil en lust) tot harmonie brengt, leeft de filosoof-koning in drie dimensies. Na nog wat berekeningen komt Plato tot een afstand van drie tot de macht zes (= 729), wat voor de pythagoreeërs een heilig getal was.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Waarom. Vraag dat altijd drie keer achter elkaar, dan zijn veel dingen in het leven opeens niet meer zo vanzelfsprekend als ze lijken.
Er bestaat geen gelovige houding op zich.
Paul Tillich in Religionsphilosophie (1959)
Met het rode haar van één schooiertje uit de goot, zal ik de hele moderne beschaving in brand steken.
G.K. Chesterton in What is wrong with the world (1910)
Het wezen van de rede bestaat er niet in voor de mens een grondslag en vermogens veilig te stellen, maar hem onder kritiek te plaatsen en tot rechtvaardigheid te manen.
Emmanuel Levinas in Totaliteit en oneindigheid (1961)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven.
Paulus in De Brief aan de Galaten 2:16
Dat iets rechtvaardig of lelijk was, was volgens hem niet te danken aan een natuurwet, maar aan een mensenwet.
Diogenes Laërtius over Archelaüs in Leven en leer van beroemde filosofen (vertaling 1989)
Neminem laede, imo omnes, quantum potes juva. [Doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.]
Arthur Schopenhauer in Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal (1840)
Integriteit heeft betrekking op de mate waarin personen oprecht, rechtvaardig en bescheiden zijn en hebzucht vermijden.
Reinout E. de Vries, Michael C. Ashton en Kibeom Lee in ‘De zes belangrijkste persoonlijkheidsdimensies en de HEXACO Persoonlijkheidsvragenlijst’ in Gedrag & Organisatie 22 (2009)
Waar vrees is, daar is ook schroom.
‘De dichter’ in Plato – Euthyfro, 12A-B
In zijn dialoog met Euthyfro over de vroomheid citeert Socrates (ca. 470 v.Chr.–399 v.Chr) ‘de dichter’: ‘Maar Zeus die het werk deed, die dit alles tot stand bracht, wil hij niet gispen: waar immers vrees is, daar is ook schroom.’ In dit geval gaat het om verzen uit de Cypria, waarin de gebeurtenissen worden beschreven die voorafgingen aan die in de Ilias. Het woord dat Xaveer de Win vertaalt met schroom, kan ook ‘schaamte, eergevoel, eerbied, ontzag, nauwgezetheid van geweten’ betekenen. In ieder geval is Socrates zelf het niet met de dichter eens. Volgens hem geldt juist: waar eerbied heerst, heerst ook vrees. Een ziekte vrees je immers ook, maar dat wil nog niet zeggen dat je er ontzag voor hebt. Overigens gaat de dialoog verder niet inhoudelijk over deze kwestie. Socrates gebruikt deze omkering om te laten zien dat ook de relatie tussen vroomheid en rechtvaardigheid moet worden omgekeerd: het vrome is ‘een deel van’ het rechtvaardige, en niet andersom.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media