Rede
Het wezenlijke en het hoofdzakelijke in het dier en in de mens zijn één en hetzelfde.
Arthur Schopenhauer in Dat ben jij (1840, vertaling 2010)
In zijn boek ‘over de grondslag van de moraal’ formuleert Schopenhauer (1788–1860) een gedachte die pas de laatste jaren opgeld doet. Voorheen sprak het voor filosofen vrijwel vanzelf dat de mens zich in allerlei opzichten onderscheidde van het dier. Daarbij moet wel worden aangetekend dat voor Schopenhauer ‘het wezenlijke en het hoofdzakelijke’ de wil van het individu is, en dat het intellect en de rede slechts secundair zijn. Hij ontkent niet dat mensen in dat laatste superieur zijn, maar dat ‘alleen op grond van het somatische verschil van één orgaan, namelijk de hersenen’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Sinds de herontdekking van de rede in de 17e eeuw heeft de Europese mens zichzelf nogal voor de gek gehouden.
Jan Warndorff in Ik ben de wereld – Anders denken in de 21e eeuw (2021)
Volgens Jan Warndorff was de Verlichting tegelijkertijd een Verduistering. De ‘wetenschappelijke revolutie’ betekende ook dat de Europese mens zichzelf oogkleppen opzette om een helder en overzichtelijk gezichtsveld te hebben waarover een bepaald soort kennis mogelijk was. Maar daarmee werd alles wat daar buiten viel ‘ont-kend’. Het Denken met een hoofdletter D werd daarvan het slachtoffer. De voor ieder mens fundamentele vragen werden niet meer gesteld. Wie of wat zijn wij eigenlijk als mens? Waar komen wij vandaan en waar gaan wij heen? En dan hield de Europese mens zichzelf ook nog voor de gek dat hij zich juist níét (langer) voor de gek hield …
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Iedereen wordt gelijk aan datgene wat hij liefheeft. Bemint ge de aarde? Dan zult ge aarde zijn. Bemint u God? Dan zeg ik, ge zult God zijn.
Augustinus in Epistolam Johannis ad Parthos 2, 14
Net als voor Plato geldt voor kerkvader Augustinus van Hippo (354–430) dat de rede ons inzicht geeft in de kosmische orde. Voor beiden geldt ook dat zij menen dat het Goede dat de mens moet nastreven het zien en liefhebben van die orde is. En zij zijn het er ook over eens dat wij mensen te zeer in beslag worden genomen door het zintuiglijke waarneembare, de uiterlijke manifestaties van die hogere orde. Daarom moeten wij ernaar streven ons te bekeren en onze aandacht en ons verlangen verleggen. ‘Want de gehele morele toestand van de ziel hangt uiteindelijk af van datgene waaraan ze aandacht besteedt en waarvan ze houdt’ (Charles Taylor, Bronnen van het zelf, p. 192). Voor Augustinus gaat het overigens meer over liefde dan over aandacht. De liefde voor de aarde is dan in feite genotzucht, en hij geeft er de voorkeur aan zijn ziel te laten vormen door de liefde tot God en de naaste.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Het is voldoende de hartstochten aan de rede te onderwerpen, en zodra ze aldus zijn beteugeld, zijn ze soms precies even nuttig als in de mate waarin ze naar het extreme neigen.
René Descartes in een brief aan Elisabeth, 18 mei 1645
Anders dan de stoïcijnen is het volgens René Descartes (1596–1650) niet nodig om ons van de hartstochten te ontdoen. Het zijn volgens hem vaak de ‘grote geesten’, wier denkvermogen zo sterk en krachtig is dat ze de hartstochten, waardoor ze vaak ‘sterker dan gewoonlijk worden overweldigd’, toch weten te overheersen. Overigens moeten we ons dan wel eerst ‘zonder hartstocht’ door de rede laten leiden bij het onderzoeken van ‘de waarde van alle volmaaktheden van geest en lichaam’. Zo kunnen we altijd het beste kiezen, want dan blijkt vaak dat we ons bepaalde volmaaktheden moeten ontzeggen om over andere te kunnen beschikken. Maar als we onze prioriteiten eenmaal op orde hebben, kunnen we de hartstochten benutten om ze ons aan de teugels van de rede des te sneller naar het goede te leiden.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Indien je welgemoed en tevreden wilt leven, onderneem dan weinig.
Democritus
De Romeinse filosoof-keizer Marcus Aurelius (121-180 n.Chr.) liet een slaaf – in het Grieks – alle ideeën noteren die hem bij het leven in het algemeen en bij het regeren in het bijzonder konden steunen. Dikwijls waren dat woorden van anderen die hij zich eigen had gemaakt, zoals dit idee van de Griekse filosoof en astronoom Democritus van Abdera (ca. 460-356 v.Chr.). In dit geval wilde de keizer de gedachte wel annoteren, want hij vond dat je nog beter kunt zeggen: ‘Doe alleen wat nodig is.’ En hoe weet je wat er nodig is? Door de rede. Die vertelt een ‘rechtgeaard burger’ wat noodzakelijk is, en je hoeft dan ook alleen in actie te komen wanneer de rede daarom vraagt. Het is vervolgens dus zaak om je bij alles wat je doet af te vragen of het wel nodig is, en zelfs bij alles wat je denkt of die gedachten wel nodig zijn. Zo stemt het onze geest tevreden: ‘Mijn daden zijn gering in tal, maar wat ik doe is welgedaan.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Men zal op Schopenhauer moeten teruggrijpen om onze tijd te kunnen verstaan.
Rüdiger Safranski in Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie (1987)
In zijn voorwoord tot de biografie van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zet Rüdiger Safranski (1945) diens diepgevoelde pessimisme af tegen het optimisme van Immanuel Kant over de Franse Revolutie. Volgens Kant was de Franse Revolutie een historisch fenomeen dat door de mensheid nooit meer vergeten zou worden ‘omdat het in de menselijke natuur een aanleg en een vermogen ten goede aan het licht heeft gebracht’. Hoewel Schopenhauer altijd zijn diepe bewondering voor Kant is blijven uiten, had hij weinig op met diens heilige geloof in ‘de Rede’. Hij beschouwde de Rede als een ‘leerling-verkoopster’ die overal heen loopt waar haar chef, de Wil, haar naartoe stuurt. Zelf waren die lotgevallen van de wil in zijn persoonlijk leven en het leven in het algemeen een ware nachtmerrie. Om zich daartegen te beschermen, zegt Safranski, integreerde hij die nachtmerrie in de kern van zijn filosofie. Want, zo schreef Schopenhauer, ‘een filosofie waarin men tussen de regels door niet de tranen, het geween en tandengeknars en het getier van een algemene wederzijdse uitroeiing hoort, is geen filosofie’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Empathie moet luisteren naar de rede als de mensheid een toekomst wil hebben.
Het woord empathie is afkomstig van het Griekse woord voor lichamelijk gevoel, maar het begrip van je inleven in de ander werd in de negentiende eeuw door de Duitse filosofen Hermann Lotze en Robert Vischer Einfühlung genoemd. De Britse psycholoog Thitchener vertaalde dat als ‘empathy’.
Net als vele anderen vindt Paul Bloom empathie een belangrijk vermogen, maar een overdreven afhankelijkheid van empathie heeft paradoxale gevolgen. Hij illustreert dat onder meer met de gevolgen van het bloedbad op de Sandy Hook-basisschool in Newton Connecticut, waar de twintigjarige Adam Lanza twintig kinderen en zes volwassenen doodschoot. Het relatief welvarende Newton kreeg ‘uit empathie’ uit het hele land pakhuizen vol knuffels en miljoenen dollars waar ze geen behoefte aan hadden. Intussen maakten veel minder mensen zich druk over de twintig miljoen kinderen in Amerika die iedere avond met honger naar bed gaan. Ook zoiets als het noodzakelijke klimaatbeleid heeft door zijn abstractie (miljoenen slachtoffers in de toekomst) te lijden van de empathie die velen voelen voor bedrijven (en hun personeel) die het principe van ‘de vervuiler betaalt’ niet zouden overleven.
Mensen mét een rede, maar zonder empathie (psychopaten) zijn eng, maar mensen mét empathie maar zonder rede brengen de toekomst in gevaar.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Terwijl wij redeneren over het leven, is het leven voorbij; en ook al kijken ze er verschillend tegenaan, de dood behandelt de dwaas en de filosoof op dezelfde manier.
Volgens de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) hoeven we weinig van de filosofie te verwachten als het gaat om ons streven naar geluk. Want ‘als we nadenken over de korte duur en de onzekerheid van ons leven, hoe verachtelijk lijkt dan al ons streven naar geluk’. In feite wordt het menselijk leven meer bepaald door ‘fortuin’ of mazzel, dan door de rede. Het is eerder een ‘saai tijdverdrijf dan een serieuze bezigheid’, en wordt eerder bepaald ‘door een specifiek humeur dan door algemene principes’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Ik kan dit vertrouwen in het rationele karakter van de werkelijkheid en in het feit dat diezelfde werkelijkheid tot op zekere hoogte voor de menselijke rede toegankelijk is, niet anders tot uitdrukking brengen dan door het woord ‘religieus’.
Albert Einstein, geciteerd in Walter Isaacson – Einstein: De biografie (2007)
Dit antwoordt de grote natuurkundige Albert Einstein (1879–1955) zijn vriend Maurice Solovine, een Roemeense filosoof en wiskundige. Deze laatste had gezegd dat hij het ‘vreemd’ vond dat Einstein de begrijpelijkheid van de wereld zag als een ‘eeuwig mysterie’. Einstein stelde dat het logischer zou zijn als er alleen maar chaos was, en dat het daarom zo bijzonder is dat er zo veel orde in het universum is. Hij verwijt positivisten (die menen dat je alleen zintuiglijke kennis kunt opdoen) en atheïsten dat ze geen oog hebben voor dit ‘wonder’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De filosoof is geen redekunstenaar, maar de wetgever van de menselijke rede.
Immanuel Kant in Kritik der reinen Vernunft (1781)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd haar te herhalen.
George Santayana in The Life of Reason: Reason in Common Sense (1905)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Je kunt je niet van je eigen gezonde verstand overtuigen door je buurman op te sluiten.
Fjodor Dostojevski in Dagboek van een schrijver (1873)
Het wezen van de rede bestaat er niet in voor de mens een grondslag en vermogens veilig te stellen, maar hem onder kritiek te plaatsen en tot rechtvaardigheid te manen.
Emmanuel Levinas in Totaliteit en oneindigheid (1961)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Zonder een echte kritiek van de rede kan ik niet werkelijk en waarachtig leven.
Edmund Husserl (1859-1938) was in eerste instantie afgestudeerd en gepromoveerd in de wiskunde. Onder invloed van Franz Brentano ging hij filosofie als levensroeping zien. Bij Brentano ontdekte hij dat filosofie ook ‘een veld van ernstige arbeid’ kon zijn. Twee jaar na de dagboekaantekening schrijft Husserl het essay Filosofie als strenge wetenschap (verschenen in 1911). Hierin formuleert hij dat het van groot belang is dat de filosofie aan ‘de hoogste theoretische eisen’ beantwoordt, omdat alleen dan ‘het leven in ethisch-religieus opzicht naar de zuivere normen van de rede’ kan worden ingericht. Hij ziet het als ‘de geestelijke nood van onze tijd’, die ondraaglijk is geworden, omdat de natuurwetenschappen noch de geesteswetenschappen in staat zijn de ‘raadsels van de wereld en het leven’ te onthullen. De benadering die hij ontwikkelt om van de filosofie een strenge wetenschap te maken noemt hij de fenomenologie. Daarmee heeft hij grote invloed op veel filosofen van de twintigste eeuw, waaronder Heidegger en Sartre.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media