Vriendschap
Je vriend, je geliefde, je kind of wie er verder voorwerp van je liefde is, heeft er recht op dat die liefde geuit wordt.
Søren Kierkegaard in Wat de liefde doet (1847, vertaling 2007)
Als je waarachtig van iemand houdt, moet je dat zeggen en de emotie niet verborgen houden, vindt Kierkegaard (1813-1855). Wanneer iemand je werkelijk ‘innerlijk beweegt’, behoort die beweging niet jou toe maar de ander. Je moet je ook niet schamen voor je gevoelens, want als je daarom zwijgt en je liefde niet laat blijken, kan zoiets ‘juist betekenen dat je liefdeloos onrecht doet, vergelijkbaar met iemand onthouden wat hem of haar toekomt’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Je leven heeft waarde zolang je waarde toekent aan het leven van anderen, door middel van liefde, vriendschap, verontwaardiging, mededogen.
Simone de Beauvoir, geciteerd door Skye Cleary in Wat zou Simone de Beauvoir doen? (2022)
Drie van de vier bronnen van waarde die De Beauvoir noemt, staan meestal wel op lijstjes van wat mensen belangrijk vinden in het leven, zegt Cleary, maar verontwaardiging vrijwel nooit. Zoals veel politiek actieve existentialisten vond De Beauvoir dat je verontwaardigd moest zijn over onrechtvaardige situaties in de wereld en daartegen in opstand moest komen. Het is echter de vraag of zij met haar waardering voor rebellie het sturen van woedende tweets bedoeld zou hebben.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
… er bestaat geen zin voor iemand alleen.
Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943, vertaling 1989)
Als het gaat om de zin van het leven kun je volgens Bataille (1897–1962) niet alleen bij jezelf te rade gaan, maar heb je bijvoorbeeld ook vrienden nodig. Als je wilt dat het leven zin voor jou heeft, moet dat er een zijn die het ook voor de ander heeft. Als je tot het uiterste van het leven gaat, stuit je weliswaar op de on-zin, ‘maar slechts van datgene, wat tot op dat moment een zin had, want de smeekbede – die geboren wordt uit de afwezigheid van zin – legt definitief een zin vast, een laatste zin’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Sommige verlangens zijn natuurlijk en noodzakelijk; andere natuurlijk maar niet noodzakelijk; weer andere zijn natuurlijk noch noodzakelijk.
Epicurus
Volgens Alain de Botton in De troost van de filosofie behoren geldzorgen tot de levensproblemen waarbij filosofie je kan bijstaan. Daartoe baseert hij zich op het denken van Epicurus. Diens onderscheid tussen verschillende soorten verlangens kan ons helpen om te bepalen wat noodzakelijk is om gelukkig te worden en waar we ook wel zonder kunnen. Dan blijkt dat behalve van enkele basisvoorzieningen (voedsel, onderdak, kleding) geluk vooral afhangt van complexe psychologische ‘bezittingen’ als vrienden, vrijheid en nadenken. Dat nadenken is vooral belangrijk om na te gaan wat de bronnen van angst zijn – dood, ziekte, armoede en bijgeloof – zodat je weet hoe je daarmee om moet gaan. Als natuurlijke verlangens die echter niet noodzakelijk zijn beschouwt Epicurus zaken als een mooi huis, een privébadhuis, banketten, bedienden en vis en vlees (!). Verlangens waar je heel goed van af kunt zien zijn die naar roem en macht, want die zijn noch natuurlijk noch noodzakelijk. Welke van uw verlangens zet u in welke kolom van deze tabel?
Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media
Het is smadelijker je vrienden te wantrouwen, dan door hen bedrogen te worden.
François de La Rochefoucauld in Maximen – Bespiegelingen over menselijk gedrag (1664, 2008)
De Franse schrijver François VI, hertog van La Rochefoucauld (1613–1680) is vooral bekend van zijn Réflexions ou sentences et maximes morales of kortweg Maximen, die in 1664 eerst in Nederland werden uitgegeven. Met die verzameling korte, bondige uitspraken over deugd en moraal wordt hij wel beschouwd als de uitvinder van het genre van het aforisme.
Er wordt ook wel van hem gezegd dat hij de ‘filosoof van de eigenliefde’ is, maar hij toont aan dat veel menselijk handelen voortkomt uit egoïsme, maar nog niet alles. Weliswaar schrijft hij in een maxime: ‘Wat de mensen vriendschap hebben genoemd is niets anders dan een overeenkomst, een wederkerig ontzien van elkaars belangen, en een uitwisseling van goede diensten, het is kortom alleen een handel, waarbij het eigenbelang altijd iets denkt te winnen.’ Toch geloofde hij wel degelijk in ‘werkelijke’ vriendschap, al is die volgens hem nog zeldzamer dan werkelijke liefde. Je mag hem daardoor eerder een moralist dan een cynicus noemen. Dat geloof in een ware vriendschap blijkt uit het citaat op de voorkant, en bijvoorbeeld ook uit de uitspraak: ‘Als onze vrienden ons bedrogen hebben, dienen we onverschillig te zijn voor hun blijken van vriendschap, maar gevoelig voor hun tegenslagen.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Van alle middelen tot volledig levensgeluk die de wijsheid ons verschaft, is het verwerven van vriendschap verreweg de belangrijkste.
Epicurus
In het dagelijks spraakgebruik is ‘epicurisch’ ‘genotzuchtig, weelderig, wellustig, zwelgend’ gaan betekenen. Dat doet de Griekse filosoof Epicurus (341-270 v.Chr.) geen recht, want in werkelijkheid hield hij zich bezig met de vraag wat je nodig hebt voor een gelukkig leven. Hij beantwoordde die vraag weliswaar met ‘genot’, maar daarbij ging het zeker niet (uitsluitend) over het zinnelijke genot van dure spijzen of verfijnde erotiek. In het huis dat hij betrok met een stoet vrienden werd weliswaar ook samen gegeten en gedronken, maar ook veel gepraat. Zelf was hij wat eten betreft de soberheid zelve, hij gaf de voorkeur aan water boven wijn en at niet veel meer dan wat brood, groenten en olijven. Voor hem was het veel belangrijker dat je nooit alleen at. ‘Want zonder een vriend is ons leven het voederen van een leeuw of een wolf.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
‘Ik wou dat ik trouw had durven blijven aan mijzelf, in plaats van te leven zoals anderen van mij verwachtten.’
De zogenaamde ‘sterfbedtest van Aristoteles’ is gebaseerd op een citaat uit de Retorica van de Griekse filosoof. Daarin stelt hij: ‘Al wat men eerder kan bezitten na zijn dood dan gedurende zijn leven is edel, want dat laatste heeft meer weg van het eigen belang.’ Tegenwoordig wordt dit door Stephen Covey en andere managementgoeroes wel als uitgangspunt genomen voor de reflectie op wat er werkelijk toe doet in je leven: Vraag je af wie je graag wilt dat er op je begrafenis spreekt, en wat die daar en dan over je zegt.
Van de Australische verpleegkundige Bronnie Ware, die lange tijd in de palliatieve zorg werkte, kunnen we leren waar mensen het vaakst spijt van hebben als ze daadwerkelijk op sterven liggen. Het citaat over trouw blijven aan jezelf staat nummer één op die lijst. De andere dingen die mensen achteraf berouwen zijn, in volgorde van belangrijkheid:
2. Ik wou dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Ik wou dat ik mijn gevoelens had durven uiten.
4. Ik wou dat ik contact had gehouden met mijn vrienden.
5. Ik wou dat ik mezelf had toegestaan gelukkiger te zijn.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Het is bespottelijk te beweren dat deugd geen eigenschap van vrouwen is.
Plutarchus in Gesprek over de liefde (Huwelijk – moraal en praktijk)
Hij was afkomstig uit Boeotië, in het midden van Griekenland, en heette eigenlijk Ploutarchos, maar is bekend geworden onder de Romeinse naam Plutarchus (ca. 46–120 n.Chr.), die hij kreeg van een Romeinse vriend die verkeerde aan het hof van keizer Vespasianus. Plutarchus was al in die tijd een veelgelezen auteur van een verzameling ‘Parallelle levens’, een reeks met veel anekdotes gelardeerde levensbeschrijvingen van telkens een grote Griek en een grote Romein die een zekere verwantschap met elkaar hadden.
De dialoog waaruit het citaat afkomstig is, heeft meer weg van een monoloog, waarin hij onder andere het huwelijk verdedigt tegen de ‘knapenliefde’. Zelf is hij gelukkig getrouwd met een ontwikkelde vrouw, Timoxena, en heeft hij een voor die tijd behoorlijk vooruitstrevende opvatting over vrouwen. Zo vindt hij het ‘al te dol’ dat velen de ‘vrouwelijke natuur’ eerst de hemel in prijzen, maar vervolgens beweren dat zij niet in staat zou zijn tot werkelijke vriendschap. ‘Een vrouw houdt toch van haar man en kinderen!’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De vriendschap is een kapitaal waarvan de rente nooit verloren gaat.
Johann Georg Hamann in ‘An J.G. Lindner, 1756’ (1905)
Dat hele complex dat door de mensen ‘liefde’ wordt genoemd … is iets zo oppervlakkigs, dat ik niets kan bedenken wat daarmee te vergelijken is.
Cicero in Gesprekken in Tusculum (45 v.C.)
Zoals het nu voor geliefden het heerlijkste is elkaar te zien en deze waarneming voor hen de voorkeur heeft boven alle andere, daar hun liefde hieraan haar bestaan en ontstaan ontleent, is het niet evenzo voor vrienden het meest begerenswaardige met elkaar samen te leven?
‘Vriendschap is gemeenschap’, vervolgt Aristoteles onomwonden. In zijn verre van bloemrijke stijl legt hij rustig maar gedegen uit dat men zich tot zijn vrienden verhoudt als tot zichzelf. En omdat het ‘begeerlijk’ is om je bewust te zijn van je eigen bestaan, geldt dat ook voor het bestaan van je vriend. Omdat je je bewust wordt van het bestaan van je vriend door met hem samen te leven, zul je dat dus (moeten) nastreven. Het hangt er vervolgens vanaf waar je voor kiest te leven, wat dat ‘samenleven’ precies inhoudt. Dat kan samen drinken zijn of dobbelen, samen sporten of op jacht gaan, of samen filosoferen. Dat waarvan je het meest houdt, en wat je als de zin van je leven ziet, dat deel je met een vriend.
De vriendschap tussen slechte mensen wordt aldus ‘boosaardig’. Zij gaan immers met hun vrienden samen slechte dingen doen en versterken bij elkaar hun slechtheid. Maar omgekeerd worden de goeden door de vriendschap alleen nog maar beter, omdat ze samen werken en ‘elkaar in het rechte spoor houden’. Tot slot van de twee hoofdstukken over vriendschap citeert Aristoteles Theognis: ‘het edele leert men slechts van edele mensen.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De geslachtsgemeenschap in het huwelijk vormt juist het begin van vriendschap, je zou het een gezamenlijke inwijding in grote mysteries kunnen noemen. Genot is vluchtig, maar het is wel de kiem waaruit iedere dag weer achting, sympathie, wederzijdse geneg
Over de schrijver van de gekoppelde levensbeschrijvingen van beroemde Grieken en Romeinen in de Bioi Paralleloi is zelf niet veel bekend. Plutarchus werd ongeveer in het jaar 47 geboren in Chaironeia in Centraal-Griekenland. Hij studeerde aan de Akademie van Plato in Athene en ontwikkelde zich vooral als diplomaat. Lange tijd was hij een van de twee priesters in de tempel van Apollo in Delphi. Er zijn aanwijzingen dat hij door keizer Trajanus tot consul en door Hadrianus zelfs tot procurator van Griekenland werd benoemd.
In de dialoog (die meer een monoloog is) Gesprek over de liefde verdedigt Plutarchus onder andere het huwelijk tegen de ‘knapenliefde’. Zelf is hij gelukkig getrouwd met Timoxena, een ontwikkelde vrouw. Hoewel ook voor hem de man het hoofd van het gezin is, zegt hij dat het ‘bespottelijk’ is om ‘te beweren dat deugd geen eigenschap van vrouwen is.’ Voor hem is dan ook geen vorm van vriendschap ‘zo mooi, zo waardevol en zo benijdenswaardig als wanneer man en vrouw in de beste harmonie samen een huisgezin vormen’. Ter illustratie is de dialoog opgenomen in een raamvertelling waarin een jongeman uiteindelijk zijn (oudere, mannelijke) minnaars ontvlucht en trouwt met een (oudere) weduwe.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media