Vrijheid
We hebben tijd, te veel tijd, om verontrustende vragen te stellen.
Volgens de Amerikaanse existentiële psychotherapeut en romanschrijver Irvin D. Yalom (1931) moet een burger van de hedendaagse geürbaniseerde, geïndustrialiseerde, seculiere wereld het leven tegemoet treden zonder een op religie gebaseerd kosmisch betekenissysteem en losgerukt van de natuur en de gang van het eenvoudige leven. Dat levert hem/haar veel problemen op, van angst tot somberheid, ook omdat voor veel mensen hun belangrijkste dagbesteding (werk) geen intrinsieke waarde heeft.
Het dilemma is dat twee ware beweringen onveranderlijk tegenover elkaar lijken te staan:
1. De mens lijkt zin of betekenis nodig te hebben.
2. De existentiële vrijheid betekent dat het enig wat absoluut vaststaat, is dat er geen ‘betekenis’ gegeven is, geen veelomvattend, visionair plan voor het universum.
Voor een atheïst als Yalom is het probleem dus: hoe vindt een wezen dat zin nodig heeft, zin in een universum zonder zin?
De meeste westerse theologische en atheïstische systemen lijken het volgens Yalom over één ding eens: het is goed en juist om je onder te dompelen in de stroom van het leven. Als mogelijke seculiere activiteiten die mensen het gevoel van een levensdoel geven, noemt hij altruïsme, toewijding aan een goed doel en creativiteit.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
In de verabsolutering van de individuele vrijheid van de persoon met zijn eindeloze behoeften en verlangens kweekt onze samenleving cultuurloos gepeupel dat zich asociaal en gewelddadig manifesteert.
Volgens de Nederlandse filosoof en politiek activist Ad Verbrugge (1967) moeten we bij de (Hegeliaanse) term ‘gepeupel’ niet alleen denken aan het armlastige deel van de samenleving. Ook de rijkdom kent zijn gepeupel. Het ontstaan van gepeupel hangt veel meer samen met wat Verbrugge ‘cultuurverlies’ noemt. In steeds meer Nederlandse milieus is het hele idee van een ‘gemeenschap’ verdwenen. Deugden als rechtschapenheid, gemeenschapszin, eergevoel en verantwoordelijkheidsbesef hebben daar geen betekenis meer.
Het gaat er dus niet om dat die mensen niet meer naar het theater of een museum gaan, maar dat zij niet meer opgroeien in een beschaving die zorgt voor de ‘zedelijke ontwikkeling van haar burgers, zodat dezen zich lid weten van een gemeenschap en hun leven mede daarop afstemmen’. Tegenwoordig is het zelfs in kringen van de intelligentsia gebruikelijk om dan vooral te wijzen naar allochtonen (‘kutmarrokanen’), maar volgens Verbrugge is het eerder precies andersom: ‘een samenleving die door haar cultuurverlies zelf desintegreert, kan moeilijk de voorwaarden scheppen voor integratie van allochtone bevolkingsgroepen.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
De werkelijke vijand van het menselijk ras is niet de onverschrokken en onverantwoordelijke denker. De werkelijke vijand is degene die de menselijke geest zo probeert te kneden dat hij zijn vleugels niet meer durft uit te slaan.
Abraham Flexner in ‘The usefulness of useless knowledge’ (Harper’s, nr. 179, juni/november 1939)
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Je hebt meer geld nodig – is dat waar?
Byron Katie in ‘You Need More Money—Is That True? The Work of Byron Katie’
?v=s78jm5PIUDI&feature=youtu.be, geüpload op 8 nov. 2006)
Wat de mens is, is hij door de zaak die hij tot de zijne maakt.
Karl Jaspers in Über meine Philosophie. Logos 24 (1941)
Vrijheid is dat je echt van iemand houdt.
Freek de Jonge in ‘Ik sta hier en jij zit thuis’ van Neerlands Hoop – Interieur (1976–1977)
In feite zijn er maar twee soorten mensen die beweren dat hun wil niet vrij is: schizofrene patiënten die lijden aan de waan dat hun wil wordt gemanipuleerd en dat hun gedachten worden beheerst door anderen, en daarnaast deterministische filosofen.
Viktor Frankl in Psychotherapy and existentialism – Selected papers on logotherapy (1967)
Filosofie is een ‘school van vrijheid’.
UNESCO, 28 februari 2005, rapport 171 EX/12
Het enige wat de mens noodlottig kan worden, is het geloof in het noodlot: het onderdrukt de beweging van de verandering.
Martin Buber in Ich und Du (1924)
Handel steeds zo dat het aantal keuzemogelijkheden groter wordt!
Heinz von Foerster in Über das Konstruieren von Möglichkeiten (1973, p. 49)
De Oostenrijks-Amerikaanse fysicus en cyberneticus Heinz von Foerster was een neef van Ludwig Wittgenstein. Hij werd in 1911 geboren in Wenen en stierf in 2002 in Pescadero, Californië. Hij formuleerde zijn ‘ethische imperatief’ in aansluiting op de categorische imperatief van Immanuel Kant. Volgens Von Foerster gaat het erom de activiteiten van anderen niet in te perken, maar je zo te gedragen dat de vrijheid van anderen en de gemeenschap groter wordt. Hoe groter de vrijheid, hoe groter het aantal keuzemogelijkheden, en des te groter de kans dat mensen ook de verantwoordelijkheid voor hun handelingen op zich nemen. ‘Alleen wie vrij is, en dus ook altijd anders kan handelen, kan verantwoordelijk handelen’ (in Heinz von Foerster/Bernhard Pörksen: Wahrheit ist die Erfindung eines Lügners: Gespräche für Skeptiker, 1999, p. 25).
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
[We zijn] altijd bereid (…) te vluchten in het geloof in het determinisme als die vrijheid ons zwaar valt of als we een excuus nodig hebben.
Jean-Paul Sartre in Het zijn en het niet (1943/2003, p. 104)
Uit een onderzoek van de psychologen Vohs en Schooler blijkt dat je door mensen ervan (te proberen) te overtuigen dat de vrije wil niet bestaat, omdat al hun gedrag gedetermineerd is, zorgt dat ze zich sneller schuldig zullen maken aan bedrog. Het motto van het artikel is, hoe kan het ook anders, een citaat uit L’Être et le Néant (1943) van Jean-Paul Sartre (1905–1980). Want Sartre veroordeelde ons tot de vrijheid, door te laten zien dat elke keer dat wij een excuus buiten onszelf zoeken voor ons handelen, wij te kwader trouw zijn. Dat geldt ook voor een beroep op het ‘brein’ dat slechts voor neurowetenschappers toegankelijk is en niet voor onszelf.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Een gemeenschap van schapen zal ooit een wolvenbestuur krijgen.
Bertrand de Jouvenel in Du pouvoir (1945)
De Franse econoom en diplomaat Bertrand de Jouvenel (1903-1987) wordt nog graag geciteerd door libertariërs, anarcho-kapitalisten en conservatief-liberalen die net als hij vinden dat democratie met een overheid die het algemeen belang soms boven individuele vrijheid stelt, eigenlijk een symptoom is van een samenleving in verval. Zelf heeft hij volgens zijn biograaf, Daniel J. Mahoney, in zijn leven met vele winden mee gewaaid. In de jaren twintig was hij een socialist en pacifist, in de jaren dertig interviewde hij Hitler zeer welwillend, in 1942 sloot hij zich aan bij het Franse verzet, in de jaren vijftig en zestig bestreed hij de Gaullisten, en in de jaren zeventig en tachtig vleide hij de studenten en de milieubeweging. Zo was hij uiteindelijk zelf een voorbeeld van een schaap: hij wilde niets liever dan bij een kudde horen.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Waarom zouden we iets bewijzen, als we kunnen volstaan met het te constateren … de vrijheid is een feit, en niet een kwestie van geloof.
Victor Cousin in Cours d’histoire de la philosophie (1841)
Volgens Schopenhauer (De vrijheid van de wil, p. 53) is Victor Cousin een van de voornaamste van het stel ‘hersenloze filosofasters’, die in de gedachte ‘ik kan doen wat ik wil … de vrijheid van de wil menen te bespeuren en deze dienovereenkomstig als een vaststaand feit van het bewustzijn doen gelden’. Volgens Schopenhauer wordt de mens aangespoord door motieven om te doen wat in zijn karakter ligt. Net als het gedrag van biljartballen wordt bepaald door hun toestand en de krachten die er op in werken, zo bepaalt de wil, in de ‘speciale en individueel bepaalde geaardheid’ die wij karakter noemen, wat wij doen. Ons zelfbewustzijn kan de illusie hebben dat wij ‘kunnen doen wat wij willen’, maar ‘je kunt op elk gegeven moment van je leven slechts één bepaald iets willen, en volstrekt niets anders dan dat ene’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Uit de verlatenheid vloeit voort dat wijzelf ons wezen kiezen.
Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965)
De minnaar wil voor alles dat de vrijheid zelf ertoe besluit liefde te worden en dat niet alleen in het begin van het avontuur, maar ieder ogenblik.
Volgens Sartre zijn we ‘veroordeeld tot de vrijheid’. In de liefde zijn we dan ook niet op zoek naar onderwerping of hartstocht, maar we willen juist dat iemand in vrijheid voor ons kiest. Voor een minnaar is niets zo waardevol als wat hij ‘de autonomie van de liefde bij het beminde wezen’ noemt. Het verlangen om bemind te worden heeft volgens hem tot doel dat de ander het fundament voor ons eigen bestaan wordt. Omdat we absoluut vrij zijn, kunnen we daar niet zelf voor zorgen. Normaal gesproken zijn we bovendien overgeleverd aan de ‘blik van de ander’. We hopen dat we dit ‘zijn-voor-de-ander’ kunnen ‘terugwinnen’ als we door de ander worden bemind, ‘door zo te handelen dat de vrijheid van de ander zichzelf aan banden legt tegenover de weerloze naaktheid die wij voor die vrijheid zijn’. Vanzelfsprekend is een dergelijk verlangen volgens Sartre inauthentiek. Authenticiteit is de ‘doorleefde erkenning’ dat je je bestaan uiteindelijk alleen op jezelf kunt baseren, in het gelijktijdige besef dat die basis zich nooit laat institutionaliseren. Je kunt nooit ‘teren op’ je authenticiteit. De vraag is dan of er ook een authentieke liefde mogelijk is, bijvoorbeeld doordat ze steeds vernieuwd wordt.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Bij ieder moreel of intellectueel offer dat men doet, raakt men dieper geïnvolveerd.
In zijn jeugd was Karl Popper gedurende drie maanden communist, zoals velen van zijn leeftijd en in zijn positie gegrepen door de beloften van de Russische Revolutie. Hij las Lenin en Marx en was onder de indruk van de marxistische theorie, het wetenschappelijk socialisme. Na een incident bij een demonstratie van arbeiders, waarbij dodelijke slachtoffers vielen, werd Popper echter een fel tegenstander van het communisme, iets wat hij als een van de belangrijkste gebeurtenissen in zijn leven beschouwde. Hij komt tot de conclusie dat communisme een geloof is, een geloof in de belofte van een betere wereld. Hij zegt later dat als dit geloof zou kunnen samengaan met individuele vrijheid, hij nog altijd socialist zou zijn. Maar het belang van zijn ervaring in 1919 zit vooral in de ontdekking dat hij onkritisch en dogmatisch een theorie had aanvaard. Dogmatisch, want fouten die hij zag in de retoriek van de marxisten had hij verdrongen. Hij ontdekte bovendien bij hemzelf en bij anderen dat wanneer je je moreel of intellectueel compromitteert, de betrokkenheid juist toeneemt en daarmee ook het dogmatisme. Later ontdekt hij bovendien dat de marxisten een immuniseringsstrategie hanteren die er op neerkomt: ‘wie het wetenschappelijke socialisme bekritiseert, is een bourgeois.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media