Friedrich Nietzsche in Menselijk, al te menselijk (1882)
In het voorwoord tot zijn boek met aforismen zegt Nietzsche dat anderen van mening zijn dat in al zijn werken ‘strikken en netten’ zitten voor ‘onvoorzichtige vogels’, en dat ze ‘bijna voortdurend een bedekte uitnodiging zijn om gewone waarderingen en gewaardeerde gewoonten om te keren’. In deze ‘leerschool van de argwaan’ staat deze verzuchting over het soelaas dat de vrije natuur ons biedt. Het is niet helemaal duidelijk of Nietzsche met deze wij-vorm naar alle mensen verwijst, of toch ook vooral naar zichzelf. Bekend is dat Nietzsche graag urenlange wandelingen maakte … in de vrije natuur.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media